Ontstaansgeschiedenis van Sittard

Sporen van verdwenen beschavingen

In het gebied van de huidige gemeente Sittard-Geleen lagen de oudste boerendorpen van Nederland. Ruim 5.000 jaar voor Christus verstigden zich hier de eerste mensen die leefden van akkerbouw en veeteelt. Deze bandkeramiekers, genoemd naar de versiering op hun aardewerk, woonden in kleine nederzettingen van 5 tot 15 vrij grote huizen met in totaal zo’n 50 tot 150 bewoners. Hun woningen lagen op de lössgronden nabij de Geleenbeek. Door deze ligging waren de noodzakelijke basisvoorzieningen, water en vruchtbare grond, voorhanden. Na zo’n 400 jaar hebben deze eerste landbouwers onze regio verlaten. Hun beschaving is om  onbekende redenen verdwenen.

Ook andere beschavingen, zoals de Romeinse, hebben hier hun sporen nagelaten. Zo is er zowel in Geleen als in Limbricht een sarcofaag teruggevonden. In Buchten werd een fraai beeldje van een haan uit de Romeinse tijd gevonden.

Nederzetting met kerk

In de 11e eeuw was Sittard een nederzetting met een kerk aan de zuidkant en een versterkte heerlijke hof aan de noordkant. Deze zal bestaan hebben uit een houten woontoren op een motte, omringd door een gracht. Ten zuiden daarvan lag een voorburcht, eveneens een gracht, voor schuren en stallen. Motte en voorburcht zullen beschermd zijn geweest door een houten palissade op een aarden wal.

Potlood schets van een nederzetting met kerk, een versterkte hof en houten woontoren.

Foto | Nederzetting met kerk, versterkte hof en houten woontoren.
 

In de 12e eeuw moest de kleine nederzetting worden uitgebreid. Om de beide polen van de kerk en motte suggereren de Begijnhofstraat en Limbrichterstraat een ovaalvorm, die door de westelijke wal wordt bevestigd.

Stadbroek

De verlening van het stadsrecht heeft ongetwijfeld de economie gestimuleerd en nieuwe bewoners aangetrokken. Een nieuwe uitleg bleek nodig. Deze was planmatig opgezet, zoals in de 13e en 14e eeuw gebruikelijk was. Een ruim, vrij regelmatig marktplein markeerde voortaan het nieuwe centrum.

De hoofdas van de stad, de oost-west verbinding liep nu via de bochtige Limbrichterstraat naar de markt en werd van daar af voortgezet via de rechte Putstraat. Haaks daarop kwamen enkele zijstraten uit. Een daarvan, de Paardestraat, kreeg een verbinding met buiten: de Broekpoort. Deze gaf verbinding met het stadbroek tussen Sittard en Tudderen, dat voor de bewoners van wezenlijk belang was als weidegrond voor hun vee. Het oppervlak van de stad werd door deze ruim opgezette uitbreiding meer dan verdubbeld.

Molenbeek

De Geleenbeek zelf liep op enige afstand ten westen van de wal. Vanaf een punt ten zuiden van de stad, bij de stenen sluis, was een zijtak gegraven om waterkracht te leveren voor de molen. Deze molenbeek, nu grotendeels overkluisd, loopt vlak ten westen van de markt, maakt dan een haakse bocht naar het oosten, volgt de gebogen noordzijde van de markt en verlaat de stad weer via de Paardestraat.

Vestingwerken

Elke uitbreiding van de stad betekende op den duur tevens uitbreiding van de verdedigingswerken. Meestal kwam er eerst bewoning buiten de muren en wanneer die te omvangrijk werd, bracht men ze binnen een nieuwe omwalling. De laatste uitbreiding was meestal zo ruim opgezet dat binnen de omwalde stad vrij wat open ruimte overbleef. Dit is deels te verklaren vanuit de teruggang van de bevolking die vanaf de eerste helft van de 14e eeuw in heel Europa waarneembaar is. Ondanks die open ruimte bleven er toch woningen komen buiten de muren, met name langs de uitvalswegen. Zo kende Sittard zijn voorstad aan de hoofdverbinding met de Maas, de Steenweg.

Onder dreiging van een oorlog met Keizer Karel V besloot de Gulikse landdag in 1538 de vestigingen Gulik en Sittard te versterken. De kastelen Born en Millen zouden worden ontmanteld om het bouwmateriaal te leveren. In Italië was een nieuw systeem voor vestingbouw ontwikkeld. Dit bestond uit dikke aarden wallen en vooruitspringende pijlvormige bastions. In de dikke aarden wallen bleven kanonskogels steken. Vanuit de bastions kon men de hele omgeving onder kruisvuur nemen en alle flanken van de vestiging goed beschermen. Al in 1549 trok de hertog van Gulik hiervoor een Italiaans ingenieur aan, Allessandro Pasqualini. De vestiging van Gulik, die eind jaren 1570 voltooid was, bestond uit een ster met vijf en een citadel met vier bastions.

Vanwege de kosten en een eventuele greep op het stedelijke bestuur begon men aan de vestiging van Sittard pas nadat die van Gulik gereed was. Waaruit de modernisering bestaan heeft is niet geheel duidelijk.

Na drie eeuwen Guliks bestuur brak er voor Sittard een tijd van snelle en grondige veranderingen aan, vooral op politiek gebied. De Franse revolutie, die in 1789 uitbrak, vormde het hoogtepunt van een reeds lang op gang gekomen beweging. Emancipatie van de burgerij en haar deelname aan het bestuur. Gelijke rechten voor alle burgers. En afschaffing van verouderde bevoorrechte posities, zoals die van de adel, van kerkelijke instanties, van gilden en andere corporaties. Nu de stad geen vestiging meer was, kon men beginnen met het bouwen langs de uitvalswegen in de directe nabijheid van de stad.

Nieuwe wegen

Het belangrijkste initiatief betrof de Rijksweg Maastricht-Venlo ten oosten van de Maas. De plannen daarvoor dateerden al van voor 1830, maar waren in de Belgische periode blijven steken. Alleen het gedeelte Roermond-Venlo was in 1839 gereed. Nu werd er haast achter gezet.

Begin 1846 was ook het traject Maastricht-Sittard- Roermond voltooid en vrij snel daarna volgde de verbinding Venlo-Nijmegen. Met de 'Nuuhe Waeg' was in de verkeerssituatie van Sittard een diepgaande wijziging gekomen. Deze weg liep op slechts 250 meter van de oude kern. Doorgaand verkeer hoefde zich dus niet door de binnenstad te dwingen. Dat gold wel nog voor het oost-west verkeer, waarvoor het traject Putstraat-Markt-Limbrichterstraat nog de aangewezen route bleef.

Vanaf 1860, na het aanvaarden van de spoorwegwet, kwam de opbouw van het Nederlandse spoorwegnet serieus op gang. Vijf jaar later, op 6 oktober 1865, werd de lijn Maastricht-Sittard-Venlo geopend en 5 jaar later was de lijn doorgetrokken tot Utrecht.

De gevolgen van deze verkeersontwikkelingen waren ingrijpend. De Rijksweg en nog meer de spoorlijn gingen de stadsuitbreiding van Sittard in hoge mate bepalen. Omdat het station op ongeveer 700 meter van de stadswal lag, trok het de stad naar zich toe. Dit veroorzaakte een sterke groei van Voorstad en Steenweg. Het spoor voltooide de heroriëntatie van Sittards voornaamste verkeersas, die voortaan van noord naar zuid zou lopen.

Voor een bezoeker uit het begin van de eeuw zou de binnenstad rond 1960 nog een redelijk vertrouwd karakter hebben gehad. Na deze periode zou de stad ingrijpend veranderen door kaalslag vanwege economische aard.